<- terug naar voorpagina
uit Kunstbeeld, 1999

Zij leefde als kind tussen de vulkanen, was vol van indrukken van maskers en wajangpoppen, er hingen kleurige Chinese kalenders aan de muur, ze zag oosterse optochten en prachtig versierde stieren. Tegelijk waren er de boeken over Cezanne, Derain, Renoir en Jan Toorop. Musea waren er niet.
Wij hebben het hier over de in 1925 te Maastricht geboren kunstenares Trees Ruijs, die van 1928 tot 1946 in Nederlandse Indië woonde. Na haar repatriëring in 1946 ging zij onmiddellijk studeren aan de Koninklijke Academie in Den Haag waar zij in 1951 eindexamen deed. Zij heeft in mei een tentoonstelling in Pulchri Studio in Den Haag, de stad die wel eens de weduwe van Indie wordt genoemd.
Het werk van Trees Ruijs omvat wandtapijten (tot 1980), glas-in-lood, monotypes en zeefdrukken van 1985 tot 1989 en olieverf/acrylschilderijen op linnen. Zij is in de hedendaagse beeldende kunst beslist een buitenbeentje, aanvankelijk een dubbeltalent dat op haar twintigste serieus overwoog schrijfster te worden. In Indië schreef en tekende zij vervolgkrantjes voor de familie en een boek 'Het Indische nichtje', na een jaar verlof met z'n allen in het vreemde Holland. Het boek is nooit uitgegeven omdat de Japanners ertussen kwamen.
Dat verhalende van haar jeugd kwam weer te voorschijn in haar wandtapijten met Bijbelse thema's en in haar serie 'Jappenkamp 42 - 45' die zij in 1984 maakte. Intussen is haar verblijf in Nederland, waar ze nu al weer langer woont dan ooit op Java, toch van invloed geweest op haar werk. In Rotterdam volgde zij begin jaren negentig een cursus nieuwe technieken om te leren met acryl om te gaan. Het kleurrijke van Indië en het 'grijze' van Nederland hebben zich als twee stromen in haar werk samengevoegd. Het vertellende is gebleven, over vreugde, verdriet, afscheid, heimwee, oorlog, onrecht. Heel direct en op een ontwapenende manier verbonden met twee culturen.