|
terug
naar inhoudslijst
Un cumpleaños
en Bogota
In negen dagen Bogota is het onmogelijk om alle acht miljoen inwoners
te leren kennen; dat heb ik dan ook niet geprobeerd. Gesticht in 1538
is het één van de belangrijkste steden in Latijns-Amerika.
La Candaleria, het historisch centrum, is gevuld met een weelde aan musea
en koloniale gebouwen. Even daarbuiten vind je dikke rijen verkeer en
een esmerald verkoper op iedere hoek van de straat. Om de stad te zien,
die zich tot aan de horizon uitstrekt, beklim of ga met een Zwitserse
kabellift naar de Top van Monserrat (3200 m). De dag- en nachttemperatuur
verschillen enorm, maar over het algemeen is er een aangenaam kil klimaat.
Ik verbleef bij vrienden op een half uur van het centrum in het noordelijk
deel van de stad en deed alles ¨rustig¨ aan. Om 6.30 werd ik verwacht
voor mijn ochtendklas rumbear, wat zoveel betekent als een les in jezelf
vermaken. De leraar, een atletisch gespierde negeroide man, neemt zijn
hoogritmische opzwepende muziek mee en doet wat in hem opkomt. Probeer
dat een uurlang na te doen en je dag is uitstekend begonnen. 's Avonds
was ik te vinden in bioscopen, uitgaansgelegenheden of gewoon in mijn
bed. Hiertussendoor bewonderde ik de stad en zijn bewoners. Deed de Donacion
Botero aan, het enige museum waar ik warme herinneringen aan heb overgehouden;
ooit een dikke Mona Lisa, Appel en stad gezien? In het Museo del Oro,
met een uitgebreide collectie precolombiaans goud, deed de overvloed aan
informatie me duizelen. Iedere indianenstam (een honderdtal) maakte zijn
eigen unieke voorwerpen, maar gebruikte al technieken die de huidige goudsmeden
nog steeds toepassen. Bezocht verder nog twee bibliotheken en een mis
in de 16e eeuwse San Fransisco kerk. En mijn verjaardag op de eerste maart
werd ook nog gevierd, alles volgens Colombiaanse gewoonte, ditmaal geheel
overeenkomstig met de onze: kaarsje blazen, liedje zingen, toosten, maar
daarna gelijk de dansvloer op. Mijn verjaardagskado, een kijkje achter
de schermen van de Colombiaanse tv, kon tot grote te leurstelling van
de jarige niet doorgaan. In plaats daarvan verplaatsten we ons naar buiten
de stad. In de zoutmijnen van Zipaquira bevindt zich een kathedraal. Grote
zoutpilaren en verschillende kunstenaars hebben hun versie van het ¨Kruis¨
gemaakt. Misschien wel Colombia's grootste attractie en volgens sommigen
het achtste wereldwonder. Tot de laatste groep behoor ik niet. De sfeer
is erg modern en kunstmatig. Ik vermaakte me met het likken aan de laxerende
muren en bewonderde het spel wat de zoutkristallen met het licht speelden.
Verder biedt Bogota nog veel meer parken, kerken en is er nog het grote
geweldadige zuidelijk deel. Ik kon niet overal naar toe gaan.
Colombia colonial
De oudste steden in Colombia zijn gesticht door de Conquistadores. Een
historisch centrum bestaat vaak uit gebouwen uit deze beginjaren. De plaatsen
hebben vaak een schaakbordachtig stratenpatroon en in het midden een parque
Bolivar (uit een latere tijd). De Spanjaarden bereikten de Caribische
kust en stichten Santa Marta (1525), gelegen in en diepe baai, omgeven
door hoge kliffen. Ondanks een fort werd de stad een aantal maal veroverd
door de Engelsen en de Fransen. En hier kwam later ook Simon Bolivar te
sterven (1830!). Ik wachtte hier op mijn trip naar Ciudad Perdida, reed
rustig naar zee, opende vroegtijdig de deur, zodat een andere auto ertegen
aan kon rijden. Alvorens de politie arriveerde, bracht 50 dollar een glimlach
op ieders gezicht en begon de nacht rustig, zoals de dag begonnen was.
De tocht naar de verloren stad viel grotendeels samen met carnaval. Een
vis ontledend, sprong een als Afrikaan beschilderde Colombiaan uit het
donker het restaurant binnen en vroeg met een wapen om geld. Als enige
eter, lachtte ik, zei dat ik als Europeaan verkleed ging en evenveel geld
als hij had. Na enige ernst verdween de lach en leek het om een overval
te gaan. Op dat de moment vond de eigenares het genoeg geweest en zei
dat het toch wel gewoon bij caranaval moest blijven. Opgelucht verdween
de man in dezelfde duisternis met een voor mij niet onbekende vis.
In 1533 werd aan dezelfde Caribische kust op een eiland Carthagena gesticht.
Het historisch gedeelte is nog steeds omgeven door zijn muren en forten.
Binnen deze omheining bevindt zich een weergaloze scene aan straten, klassieke
gebouwen, kerken, pleinen; alles te bewonderen in een verzengende hitte.
Het meest opvallende fort is, Castillo San Felipe de Barajas. Op een heuvel
over de stad uitrijzend, is het een geniale constructie om de vijand te
weerhouden; doodlopende tunnels en de akoestiek is een architectonisch
wonder (voetstappen tegen de muur worden door het gehele fort gehoord).
Ik dronk ieder kwartier flesje water en trotseerde de hitte. In deze omstandigheden,
terwijl anderen zich ophouden in de zwembaden van hun cruiseschepen, kan
je je de enige toerist wanen. Niet een grootgenieter van standbeelden,
moest ik toch naar die van mijn nieuw verkozen held, Blas de Lezo. De
één-ogige, één-armige, één-benige
spaanse edelman verdedigde in 1741 met succes een aanval van Sir Vernon
met 27000 man. De Lezo beschikte over een leger van 2500 soldaten, waaronder
indianen en slaven. De wond die hij aan deze strijd overhield in zijn
andere been, bleek uiteindelijk fataal. Tot mijn verrassing was het gehandicapte
standbeeld om meer dan een reden interessant. Onder het beeld zijn in
de steen grote munten verwerkt in Engelse tekst over de heldendaden en
de overwinning van de Britten op Blas de Lezo. De Engelsen waren zo overtuigd
van de overwinning dat ze deze al voor de strijd hadden laten maken. Overmoed
wordt altijd afgestraft. Verder werd ik verleid voor een boottrip langs
de Islas del Rosario, om de veelkleurige Caribische zee en zijn flora
en fauna te ontdekken. Met als hoogtepunt voor de strandliefhebbers Playa
Blanca. Tot de laatste groep behoor ik wederom niet en at een als kado
gepresenteerde oesterachtig beestje met zilte smaak. Het bleek geen presentje.
Een vreemd hoog bedrag werd me gepresenteerd, maar hield vol dat er geen
geld was en ook niet van plan was voor mijn eigen kado te gaan betalen.
Toerisme in deze regio heeft gelijk de aardigheid van de bewoners aangetast.
Dieptepunt in Carthagena was echter mijn driedaags verblijf bij de migratiedienst.
Om niet in de illegaliteit te geraken, verzon ik een reis naar Venezuela,
en kreeg de uitstel van verblijf, waarop ik had gehoopt. Uit de wurggreep
van de bureaucratie bevrijd, heb ik naast Carthagena nog twee andere typisch
koloniale dorpsteden aangedaan.
SantaFè de Antioguia (1541) en Popayan (1536), respectievelijk
in de buurt van Medellin an Cali liggend. De typische park met kerk en
kalkwitte koloniale huizen vormen het hart van deze plaatsen. SantaFé
is gesticht als goudmijndorpje en was lange tijd het belangrijkste in
zijn regio. De rustige sfeer en de verderop gelegen klassieke brug, Puente
de occidente, zijn de hoogtepunten van het bezoek. Popayan wordt gezien
als de mooiste koloniale stad, gelegen in een vredige omgeving van palm
en bamboe en de vulkaan Puracé, die over de stad waakt. Het is
er schoon, nog witter en bijna griezelig perfect. Alles genoeg om een
dag bewonderend rond te lopen en geef nog even met oplopende interesse
enkele van mijn notities weer. De huizen zijn in Andalusische roccoco
stijl, de plaats leverde maar liefst 11 presidenten aan de republiek en
de wetenschapper José de Caldas is er geboren (1771); als voorstander
van onafhankelijkheid in 1815 geexecuteerd. Hij ontdekte hoe met behulp
van de variatie in kookpunt van water de hoogte te bepalen. Menig kookpunt
bereikt, begon alles te duizelen en waande ik me in koloniale tijden.
Colombia, y más?
En alles wat ik nog verder aandeed.
Hoewel al in 1536 gesticht, herinnert daar in Cali niet veel meer aan.
Het ligt in een gebied van suiker-, katoen-, rijst- en koffieproductie.
Met exotische bomen op zijn oevers doorkruist de rio Cali de stad. Het
is een snelgroeiend industrieelcomplex geworden; nummer twee in grootte
na Bogota. Eigenlijk maar om één reden het bezoeken waard:
het uitgaansleven. Cali noemt zich salsa hoofdstad van de wereld en tropische
ritmes hoor je uit iedere deur bonzen. Verder claimt Cali dat 's werelds
mooiste vrouwen daar rondlopen. Oordeel voor jezelf! Ik verbleef daar
twee weekenden met als enige andere activiteit het beklimmen van de berg
Las Tres Cruzes en kocht aan het eind een camera. Op een halfuur naast
Cali ligt Palmira, een andere grote industriestad. Niet gelovend dat daar
niets te doen was, bleek het toch waar. Verbleef daar op onverklaarbare
reden toch langer dan verwacht in een anderhalve dollar kostend stoffig
appartement.
Barranquilla, de vierde in grootte, is een lelijke grote havenplaats aan
de Caribische kust, maar zijn carnaval is één van de beste
in Latijns-Amerika en de stad heeft aan de wereld Shakira geschonken.
Omdat ik in de jungle verdwaald was, bezocht ik alleen de allerlaatste
adem van dit feest. 's Avonds is uiteraard interessanter, wanneer de kinderen
in bed zijn gestopt; parades, straatdansen en schoonheidswedstrijden.
Probeerde nog alles te zien wat in die laatste adem aanwezig was, maar
kreeg mijn moegelopen lichaam niet in beweging.
Op mijn weg terug door Colombia, wilde ik toch nog even in de Zona Cafetera
verblijven; het gebied op de juiste hoogte (800-1800 meter) en met de
goede verhouding tussen regen en zonneschijn voor koffie. Ik verkoos de
stad Pereira, een moderne stad (1863) opgesierd door een naakte Simon
Bolivar in het centrum. Ik verbleef hier maar één nacht,
maar voor een langer verblijf kon een plekje op een koffieboerderij geregeld
worden. Maakte nog snel een uitstapje naar het 44 kilometer verderop gelegen
dorpje Salento met al zijn artesanie winkels. Hier moest over de Cocora
vallei één van Colombia´s mooiste panorama´s
te vinden zijn. Het slechte weer onthield me van een mening. In die ene
nacht was ik ter plekke op een groot verjaardagsfeest buiten de stad en
maakte kennis met een grote kolonie Fransen die in Pereira waren neergestreken.
Veel gedronken en de hele nacht, tot het licht uitviel, jeu de boules
gespeeld. Fransen weten niet alleen hoe maar ook waar ze van het leven
moeten genieten.
In het uiterste zuiden bij de grens met Ecuador zijn Pasto en Ipiales
nog gepasseerd. De weg die deze twee plaatsen met elkaar verbindt, is
fenomenaal. Met klamme handen, snel kloppend hart, langs ravijnen en steile
bergwanden, denkend dat je nooit aankomt. Even buiten Ipiales ligt Las
Lajas, een kathedraal gebouwd op een brug over de rio Gauitara. Er zijn
bijna evenveel wonderen als in Lourdes geconstateerd en het is schitterend
om van bovenaf te bekijken. Een wonder volgde, na 60 dagen nam ik afscheid
van het land en keerde terug naar Ecuador.
terug
naar inhoudslijst
|